Het was in eenen tsinxen daghe.

Het was in eenen tsinxen daghe. Dat beede bosch ende haghe.
Met groenen loveren waren bevaen.

Mijn bedde was gemaeckt toen ick was opgestaen.
Het water had gestroomd langs lijf en lenden,
de zinnen waren druppels dat stroomden langs het ende.

Gij waert niet hier, maar daar, in grote stede,
gij had geen tijd welzind te wezen. Maar uwen heup dat
dansen moest, was vol van trilling, vol van hoest,
uw menselijcken vorm als van den leeuw,
met manen, lange, zoo wild ende woest.

En den stroom die de monde bereickt, was een met zee,
diepen vree was over ons gekommen. Gij had mijn ziel al aangeraeckt,
mijn tonge gekust, en vurig waren mijne lippen.

Gij sprak in alle talen – verleidde mijne dwalen.
En zei toen vossen al rein en aardelijke zinnen
u vrij en Nobel een einde maecken wilde en
aan het Babylonische gewinnen.

Hij zaghe mij. Ik zaghe U.
Hij waart een ziel die ik verstond
toen gij mij kuste op mijnen mond.

En de claegende coninc in fransoys,
de zingende queene van lager lande,
cantend claer, hadden saamen gedanst,
becnause so es vet.

Ende hevet in ziere herten onwaert,
wiste ick dat gij Hem waert.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s